
Jan moest die ochtend voor het eerst naar werkoverleg. Een nieuwe baan: accountmanager. Een club mensen die hij nog niet kende. Bij zijn vorige baas was hij uit de groep gevallen. Hij wist niet waarom. Voor zijn gevoel had hij goed gefunctioneerd en zijn targets gehaald. Maar na een half jaar: einde verhaal.
Hoe konden ze hun omzet verhogen? Cees, de groepsleider, maakte een ideeënrondje. Jan had geen idee. Logisch. Een oude rot fluisterde cynisch achter zijn hand, hard genoeg zodat iedereen het kon horen: “‘t Maakt allemaal niks uit.” Alles is al eens geprobeerd. Één pot nat.” Cees negeerde het, maar Jan schrok van zoveel onbehouwenheid.
Uiteindelijk kwamen er ideeën op tafel en de groep maakte een lijstje. Cees deed nog de suggestie dat je maar een keuze moest maken uit het lijstje: wat het beste bij jou past.
De oude rot ontpopte zich als een veenbrand: “Ook dat nog. Leg het maar bij ons neer. Hoe houdt de leidinggevende z’n handjes schoon?”
Jan werd door de afdelingssecretaresse naar zijn nieuwe bureau gebracht en ging zitten. Toen Jan opkeek zag hij die veenbrand voor zich. Die hing ontspannen achterover, zijn laptop op schoot en de koffie binnen handbereik. Een veenbrand die ondergronds voortsmeulde en alle zuurstof uit de ruimte zoog. “Hé, jij hier? Jouw voorganger heeft het hier maar een paar weken uitgehouden. Maar jou geef ik wat meer kans, denk ik. Nou, welkom…”
Door Jans’ hoofd schoot de pijnlijke herinnering aan zijn vorige werk. Een stel dwarsliggers nodigde hem de eerste dag uit mee naar een café. En ineens hoorde hij ook bij dat groepje. Zijn halfjaarcontract werd niet verlengd
Dat ging Jan niet nog een keer overkomen. Hij wilde weg van deze doorgedraaide braller en van dit bureau. Maar hoe? Naar Cees? Hij moest denken aan Dante en zijn hel. Het gif, de valse tong en het hitsen waren de bewoners van de hel aan te zien: hun knoestige koppen, wrattige huid en holle ogen. Verraders zaten op de allerslechtste, koudste en diepste plek in de hel. Niet de moordenaars, maar de verraders. Maar hij wilde geen matennaaier zijn. Geen klikspaan.
Hij schreef een mailtje naar Cees: Beste Cees, ik ben blij met deze baan. Natuurlijk. En, zoals ik in het sollicitatiegesprek al aangaf: ik wil ervoor gaan. Natuurlijk. Maar dat gestook is onacceptabel…Jans’ handen trilden, hij moest zijn ogen steeds opnieuw focussen en moest twee, drie keer slikken als hij het toetsenbord raakte. Toch maakte hij de mail af. Hij werd een verrader. Nee, hij wás een verrader.
Toen hij op verzenden had geklikt, panikeerde Jan weer. Wat nu? In Jezus’ naam. Hij ijsbeerde rond en wist zich geen raad. Wat nu, er leek geen uitweg.
Jan ging zitten en begon met een nieuwe mail: Beste Cees, ik kan niet leven met verraad. Dat wil en kan ik niet. Daarom neem ik per direct ontslag. Dank voor de geboden ………
Met zijn moeder zaliger, Dante en de Bijbel was hij liever een Barabbas dan een Judas.
Plaats een reactie