
Januari, stormachtige oostenwind en stuifsneeuw. Ineengedoken, dik geklede mensen deden de hoogst noodzakelijke boodschappen. In de schoenenwinkel stond een vrouw. Snel liep ze langs de kasten waar de schoenen, dicht opeen gepropt, in de uitverkoop stonden. Bij maat 39 bleef ze even staan en keek vluchtig. Maar nee: “Niets voor haar.” Dan langs de nieuwe collectie. Dezelfde oogbewegingen. Maar ook niets. Haar bewegingen verraadden een gefrustreerde vrouw. Met een missie. Ze was te jong gekleed: een jas van Hilfiger, schoenen van Prada, een niet-bijpassende zomerse sjaal met handschoenen en een hoofdband, ook van Hilfiger. Duur. Vooral duur. Een merkenvrouw. Gedecideerd, haar “jongere-oudere koers koesterend”, liep ze naar buiten. Haar motoriek verraadde niet alleen haar missie, maar ook haar gevorderde leeftijd. Zeker tegen de gure oostenwind in.
Opeens liep er een licht voorovergebogen man achter haar. Zijn jas open, das in de hand en proberend zijn jas dicht te houden. Hij kon haar niet bijhouden en riep met een onzekere stem: “Waar ga je naartoe?”
Met haar hoofd afgewend zei ze iets. Wat zei ze nou? Hij kon het niet horen laat staan verstaan. Hij vroeg het nog een keer, maar nu wanhopiger en tegen de wind in roepend: “Waar ga je naartoe?”
Zij. Maar zij had daar helemaal geen zin in. Haar lichaamshouding was afwijzend. Ze wilde het niet horen en liep door.
Het ging veel te snel voor hem. Dat kon hij niet bijbenen. Toch bleef hij haar volgen, op een groeiend afstandje. Zijn bril op het puntje van zijn neus, de ogen tranend en de rug iets meer krommend probeerde hij iets te versnellen. Het lukte hem niet.
Ze keek niet om en was alweer afgeslagen, naar de volgende schoenenwinkel. De man bereikte net die winkel toen ze het assortiment alweer had gezien en naar buiten liep.
Zij. Ze liep langs hem heen voordat hij iets kon zeggen. Hij zag herhaaldelijk haar mond bewegen, maar kon het niet verstaan.
“Ik ga wel in de auto zitten,” mompelde hij in zichzelf.
De verkoopster, een goede oude kennis van de tennisclub, kwam naar de deur en zei vriendelijk: “Hoi Gerard, je vrouw loopt net de winkel uit. Ze was zo snel. “Ik kon haar niet eens goedendag zeggen.” Ze vroeg of hij een kopje koffie wilde. Zij had de onrust in zijn ogen gezien; ze snapte het.
Hij. Hij greep de geboden uitweg om nog iets van zijn zelfrespect overeind te houden.
“Ja, graag.” Even later zat hij aan een tafeltje in de schoenenwinkel, een kop koffie in zijn handen. Hij keek naar buiten, naar de sneeuw die langs het etalageraam voort joeg. Wat moest hij nu? Zou hij haar achterna gaan, of zou hij wachten tot ze terugkwam? Hij wist het niet. Hij pakte een modetijdschrift met op het titelblad een prachtige vrouw met de quote: “Zoals je op zoek moet naar je eigen stem, moet je ook op zoek naar je eigen kledingstijl.”
Het woordje ‘moet’ bleef hangen.
Plaats een reactie